Havo 2010
Hoofdstuk 3 Werken en leven

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 Aan het werk
3.2 In loondienst
3.3 Eigen baas
3.4 Toegevoegde waarde van een bedrijf
3.5 Transfer
3.6 Zelftest

Eenmaal een hogere opleiding afgerond, ga je op zoek naar werk. Dit kan zijn in dienst van een bedrijf als werknemer of als zelfstandig ondernemer. In loondienst werken verschaft meer zekerheid maar als zelfstandige kan het inkomen hoger zijn.
Als werknemer verdien je een bepaald (bruto) loon. Op dat loon wordt de loonheffing (een soort voorschot op de inkomensheffing) ingehouden.

Loonheffing
De loonheffing bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen. De premies volksverzekeringen wordt betaald voor de AOW, de ANW en de AWBZ. Daarnaast wordt op het bruto salaris de pensioenpremie en de premie Zorgverzekeringswet (ZVW) ingehouden.
Het brutoloon min de loonheffing, min de pensioenpremie en min de premie ZVW geeft het netto of besteedbaar loon.

Inkomensheffing
De inkomensheffing werkt als volgt:
bruto jaarinkomen
- aftrekposten      
= belastbaar inkomen
- heffingsbedrag
= netto inkomen
Het heffingsbedrag wordt berekend over de verschillende schijven die op het inkomen van toepassing zijn. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting verlagen het bedrag dat uiteindelijk betaald moet worden.

Gemiddeld en marginaal tarief
Over de eerste twee schijven (tot een bedrag van € 32.127) betaal je ongeveer € 6.500 aan premies volksverzekeringen en € 1.960 aan belastingen. Iemand met een inkomen van € 100.000 betaalt ongeveer € 6.500 aan premies volksverzekeringen en € 35.000 aan belastingen. In dit geval bedraagt het marginaal tarief 52% (hoogste tarief dat van toepassing is) en het gemiddeld tarief is 41.500/100.000 x 100%  = 41,5%.

Progressief, proportioneel en degressief
De inkomensheffing is progressief als bij een stijging van het inkomen het heffingspercentage ook hoger wordt. Progressieve belastingen nivelleren de inkomensverdeling.
De inkomensheffing is proportioneel als bij een stijging van het inkomen het heffingspercentage constant blijft.
De inkomensheffing is degressief als bij een stijging van het inkomen het heffingspercentage lager wordt. Degressieve belastingen denivelleren de inkomensverdeling.

Eigen baas
Eigen baas zijn betekent een overzichtelijke administratie voeren zoals het opstellen van een balans en het opstellen van een resultatenrekening.

De balans
De balans geeft een overzicht van de bezittingen en het vermogen op ้้n bepaald moment. Op de balans staan voorraadgrootheden. Aan de bezittingenkant (actiefzijde of debet) kun je onderscheid maken tussen vaste, vlottende en liquide activa. Aan de vermogenskant (passiefzijde of credit) kan er onderscheid gemaakt worden tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden). De creditkant van de balans laat zien over hoeveel vermogen (geld) de zaak kan beschikken. Op de debetkant van de balans kun je zien wat er met dat vermogen is gedaan.
Zie hieronder een voorbeeld van een balans op 1 januari 2010.

 

debet

Balans 1 januari 2010 

credit

vaste activa

 

eigen vermogen

281.200

gebouwen

300.000

 

 

machines

260.000

lang vreemd vermogen

 

inventaris

120.000

7% hypothecaire lening

240.000

 

bedrijfskrediet

40.000

vlottende activa

onderhandse lening

160.000

debiteuren

30.000

 

voorraden

60.000

kort vreemd vermogen

 

vooruitbetaalde huur

6.000

crediteuren

66.000

 

Nog te betalen interest

4.800

liquide activa

te betalen garagerekening

4.000

bank

12.000

 

 

kas

8.000

 

 

 

 

 

totaal

796.000

totaal

796.000

De resultatenrekening
De resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten (omzet) en de kosten in een bepaalde periode (vaak ้้n jaar). Opbrengsten en kosten zijn periodegrootheden.
De omzet min alle kosten geeft de winst in een bepaalde periode.

Kosten

Resultatenrekening 2010

Opbrengsten

inkoopwaarde omzet

560.000

Omzet

910.000

rentekosten

32.000

 

 

huurkosten

32.000

 

 

loonkosten

150.000

 

 

energiekosten

21.000

 

 

winstsaldo

105.000

 

 

Totaal

910.000

Totaal

910.000

De toegevoegde waarde of productiewaarde is gelijk aan de omzet min de inkopen (van grondstoffen, hulpstoffen, producten) en min diensten van derden.
In bovenstaand voorbeeld is dat € 910.000 - € 560.000 - € 21.000 = € 329.000.

Leerdoelen hoofdstuk 3
Leerlingen kunnen:
• de verschillende inkomenscategorie๋n classificeren.
• uitleggen hoe de inkomensverdeling genivelleerd en gedenivelleerd kan worden.
• een loonstrook interpreteren.
• de inkomensheffing berekenen en deze analyseren.
• nagaan wat de effecten zijn van overheidsmaatregelen op de inkomensverdeling.
• verschillende belastingstelsels onderscheiden en beschrijven.
• de gevolgen van belastingheffing uitleggen voor de inkomens en daarbij gebruik kunnen maken van de begrippen marginaal belastingtarief en heffingskorting.
• de productiefactoren en hun beloningen onderscheiden.
• verschillende soorten activa en passiva onderscheiden en er berekeningen mee maken.
• een balans samenstellen en interpreteren.
• verschillende soorten kosten en opbrengsten onderscheiden en er berekeningen mee maken.
• onderscheid maken tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden.
• een resultatenrekening samenstellen en interpreteren.
• uitleggen dat produceren het toevoegen van waarde is aan de ingekochte grondstoffen.
• uitleggen dat de verdiende inkomens de beloningen van de productiefactoren zijn, die betaald worden uit de productiewaarde.

Kernbegrippen hoofdstuk 3
Werknemer - loon - premie - verzekeren - rente - huur - pacht - primaire inkomens - nettoloon - besteedbaar loon - loonheffing - loonbelasting - premies volksverzekeringen - pensioenfonds - brutoloon - inkomstenbelasting - aftrekposten - hypothecaire lening - belastbaar inkomen - inkomensheffing - belastingschijven - algemene heffingskorting - arbeidskorting - draagkrachtbeginsel - progressief belastingstelsel -  nivellering - gemiddelde heffingsdruk - gemiddelde tarief - marginale tarief - marginale heffingsdruk - proportionele stelsel - degressief - ondernemersrisico - kapitaalgoederen - investeren - vermogen - eigen vermogen - vreemd vermogen - balans - activa - passiva - productiefactoren - ondernemerschap - winst - omzet - afzet - vaste activa - vlottende activa - voorraadgrootheden - debiteuren - crediteuren - resultatenrekening - stroomgrootheden - afschrijven - toegevoegde waarde - productiewaarde.    

Opdrachten
index>Havo 2010>Jong en Oud>hfdst 3
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
Inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3hfdst 4hfdst 5hfdst 6hfdst 7