Havo 2010
Geld en ruil

Inhoudsopgave hoofdstuk 2. 
2.1 De rol van het geld
2.2 Arbeidsdeling en arbeidsproductiviteit
2.3 Arbeidsdeling binnen het huishouden
2.4 Banken kunnen de geldhoeveelheid vergroten
2.5 De kredietcrisis, een bankencrisis?
2.6 Zelftest

Nominale en intrinsieke waarde van geld
De nominale waarde van het geld is de waarde die op de munt of bankbiljet staat vermeld. De nominale waarde van een bankbiljet van vijf euro is € 5. De intrinsieke waarde is de waarde van het materiaal waarvan de munt of het bankbiljet is gemaakt. De intrinsieke waarde van een gouden tientje is gelijk aan het gewicht van het goud in grammen maal de prijs van het goud per gram.
Chartaal en giraal geld
Munten en bankbiljetten samen noemen we de chartale geldhoeveelheid. Giraal geld is geld dat op een bankrekening of betaalrekening staat en waarover de bezitter vrij kan beschikken. Het is niet tastbaar geldof onstoffelijk geld.
Functies van het geld
Geld is een algemeen aanvaard ruilmiddel. Met geld kun je betalen (ruilmiddel). Daarnaast wordt geld gebruikt om de waarde van goederen en diensten vast te stellen (rekeneenheid) en om te bewaren (spaarmiddel).
Arbeidsdeling en specialisatie
De eerste bewoners van onze planeet waren geheel zelfvoorzienend. Geleidelijk aan zien we dat mensen zich steeds meer gaan toeleggen op een bepaalde activiteit. Mensen specialiseren zich en er ontstaan diverse beroepen. Er is met andere woorden sprake van arbeidsdeling. Door arbeidsdeling en specialisatie stijgt de arbeidsproductiviteit voortdurend. De arbeidsproductiviteit is de productie per persoon per tijdseenheid.
Transactiekosten
Arbeidsdeling maakt ruil noodzakelijk. Eerst wordt er nog geruild in natura, dat wil zeggen goederen tegen goederen. Ruil in natura heeft als nadeel dat het moeilijk is om de waarde vast te stellen, de goederen bederfelijk kunnen zijn, of groot en onhandig en moeilijk deelbaar. Later vindt indirecte ruil plaats: goederen tegen geld of omgekeerd. Het afwikkelen van transacties met een algemeen aanvaard ruilmiddel (geld) verlaagt de transactiekosten. De transactiekosten zijn alle kosten verbonden aan een transactie zoals het vergelijken van de prijzen, het maken van afspraken, het bepalen van de prijs, het verrichten van de betaling, het vervoer, etc.
Absolute en comparatieve voordelen
Joeri en Diana zijn een gelukkig stel. Ze werken beiden drie dagen per week en gezamenlijk doen ze de huishoudelijke taken die we voor het gemak indelen in koken, de tuin onderhouden en de kinderen verzorgen. Voor deze werkzaamheden hebben Diana en Joeri de volgende tijd - uitgedrukt in uren per week - nodig.

koken

tuinonderhoud

verzorgen kinderen

Diana

6

4

8

Joeri

9

8

10

Diana heeft bij alle huishoudelijke taken een absoluut voordeel. Ze doet alle huishoudelijke taken in minder tijd dan Joeri. Als Diana en Joeri besluiten de huishoudelijke taken onder elkaar te verdelen heeft Joeri een comparatief voordeel bij het verzorgen van kinderen. Voor het verzorgen van kinderen heeft Joeri 25% meer tijd nodig dan Ilse. Bij koken heeft Joeri 50% meer tijd nodig en bij het tuinonderhoud heeft Joeri zelfs 100% meer tijd nodig dan Diana.
Liquiditeit
Een bank is liquide als ze voldoende geld in kas heeft om haar verplichtingen op korte termijn te voldoen (dat zijn met name de opnames van klanten van hun girale tegoeden via pinautomaten).Als banken geld uitlenen dat door spaarders op een spaarrekening is gestort verandert de totale maatschappelijke geldvoorraad niet. Het geld van de spaarders gaat naar de geldleners. Er komt dan geen extra geld bij. Anders is het gesteld als banken geld uitlenen (kredieten verschaffen) uit het “niets”.  Als een bank iemand een krediet geeft - bijvoorbeeld geld op zijn rekening bijschrijft voor de aanschaf van een auto - dan stijgt daardoor de maatschappelijke geldhoeveelheid. Er komt dan meer geld in handen van het publiek.Maar banken kunnen niet onbeperkt kredieten verlenen. Tegenover de rekening-couranttegoeden moeten banken liquide middelen (munten, bankbiljetten) aanhouden. Dit om te kunnen voldoen aan chartale geldopvragingen van de klanten van de bank (bijvoorbeeld het pinnen). De verhouding tussen de liquide middelen en de rekening-couranttegoeden noemen we het liquiditeitspercentage of het dekkingspercentage.                                           

                                              liquide middelen 
Liquiditeitspercentage =  ---------------------------------  x 100%                                                          rekening-couranttegoeden 
Voor banken is een hoog liquiditeitspercentage niet gunstig. Geld in de kas van de bank levert niets op. Op geld dat de bank uitleent krijgt ze rente, dat levert wel iets op. Daarbij komt dat klanten normaal niet allemaal tegelijk hun geld opvragen. Zolang er vertrouwen bestaat dat de bank haar verplichtingen kan nakomen is er niets aan de hand. Als dat vertrouwen er niet meer is kan een run op de bank ontstaan waardoor de bank failliet kan gaan.Om te voorkomen dat banken niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen verplicht DNB (De Nederlandse Bank) de banken een bepaald liquiditeitspercentage aan te houden.
Solvabiliteit
Een bank is solvabel als ze in staat is al haar verplichtingen te voldoen: dus zowel de schulden op korte termijn als de schulden op lange termijn. De verplichtingen hebben betrekking op de schulden op korte termijn en lange termijn. Een bank is solvabel als haar bezittingen groter zijn dan haar schulden.
                    Balans

bezittingen

eigen vermogen
vreemd vermogen
(schulden)

Tot de bezittingen van de banken horen ondermeer de beleggingen in buitenlandse valuta, in binnenlandse of buitenlandse hypotheekleningen, etc. Toen door de kredietcrisis de buitenlandse hypotheekleningen sterk in waarde daalden, kwamen diverse banken in solvabiliteitsproblemen. De schulden van de banken waren groter dan hun bezittingen.

Leerdoelen hoofdstuk 2
Leerlingen kunnen
• ruil in relatie tot productie en consumptie beschrijven.
• toelichten dat door specialisatie en arbeidsdeling de arbeidsproductiviteit kan toenemen.
• uitleggen dat specialisatie ruil nodig maakt.
• verklaren dat bij ruil wederzijds voordeel ontstaat.
• voorbeelden geven van transactiekosten zowel uitgedrukt in geld als anders.
• voorbeelden geven van geld als ruilmiddel, spaarmiddel en rekeneenheid.
• nadelen van directe ruil uitleggen.
• uitleggen hoe het liquiditeitspercentage kan veranderen als gevolg van transacties, zoals het verlenen van krediet door banken aan rekeninghouders.
• uitleggen dat een bank een liquiditeitspercentage van onder de 100% kan hebben zolang er vertrouwen is bij rekeninghouders.
• uitleggen hoe de bankencrisis leidt tot een crisis in de reλle economie.

Kernbegrippen hoofdstuk 2
Nominale waarde - intrinsieke waarde - vertrouwen - munten - bankbiljetten - chartaal geld - giraal geld - algemeen aanvaard - ruilmiddel - rekeneenheid - spaarmiddel - zelfvoorzienend - arbeidsdeling - specialisatie - arbeidsproductiviteit - ruil - transactiekosten - ruil in natura - optimale verdeling - absoluut voordeel - comparatief voordeel - rekening-couranttegoed - krediet - hypothecaire lening - liquide middelen - liquiditeitspercentage - dekkingspercentage.

Opdrachten
index>Havo 2010>Crisis>hfdst 2
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
Inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3