4-5-6 vwo
Begrippenlijst hoofdstuk 3

Afzet: de hoeveelheid producten (q) die een bedrijf verkoopt.
Aanbodlijn: deze geeft grafisch het verband weer tussen de prijs van een goed en de aangeboden hoeveelheid van dat goed, ceteris paribus. Deze aanbodlijn kan zowel het individuele als het collectieve aanbod weergeven.
Bezettingsgraad: de mate waarin de productiecapaciteit van een land of van een onderneming wordt benut.
Break-even afzet/omzet: die afzet/omzet waarbij geen verlies of winst wordt gemaakt.
Break-evenpoint: de bepaling van de afzet / omzet waarbij er geen winst en geen verlies wordt gemaakt. De bewuste afzet / omzet wordt vaak met het begrip break-even of break-evenpunt aangeduid.
Collectieve aanbodlijn: de wiskundige formulering van de aanbodlijn/-curve, ook wel aangeduid als aanbodvergelijking. Het gaat hier om het verband tussen de prijs van een goed en de aangeboden hoeveelheid van dat goed waarbij de invloed van de overige factoren (zoals kosten en technische mogelijkheden) onveranderd blijft (de ceteris paribus-clausule).
Degressief variabele kosten: de variabele kosten stijgen minder dan evenredig (= degressief) bij een toename van de productie.
Gemiddelde constante kosten (GCK): de totale constante kosten gedeeld door het aantal producten.
Gemiddelde opbrengst (GO): de opbrengst per product ( = P = de prijs)
Gemiddelde totale kosten (GTK): de totale kosten gedeeld door het aantal producten.
Gemiddelde variabele kosten (GVK): de totale variabele kosten gedeeld door het aantal producten.
Gemiddelde winst (GW): de winst per product, de opbrengst per product minus de totale kosten per procuct.
Individuele aanbodlijn: het verband tussen de prijs van een goed en het aanbod voor een individuele aanbieder (producent).
Kritische afzet/omzet: de afzet / omzet waarbij er geen winst en geen verlies wordt gemaakt.
Kostprijs (= GTK): de totale kosten per product. De totale kosten gedeeld door het aantal producten.
Marginale kosten (MK): de extra kosten als de productie met een eenheid product wordt uitgebreid.
Marginale opbrengsten (MO): de extra opbrengst als de productie (en afzet) met één eenheid product wordt uitgebreid.
Marginale winst (MW): de extra winst als de productie (en afzet) met één eenheid product wordt uitgebreid.
Marginale analyse: wijze waarop met behulp van marginale kosten en marginale opbrengsten bepaalde ondernemersdoelen kunnen worden berekend of bepaald (zowel grafisch als rekenkundig).
Model: een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Soms in de vorm van een stelsel van vergelijkingen.
Normale bezetting: bezetting van de machines onder normale omstandigheden.
Omzet (TO) (= totale opbrengst): de inkomsten van een onderneming uit de verkoop van de producten. (prijs x afzet)
Productiecapaciteit: de maximale omvang van het goederen- en dienstenpakket dat in een economie of in een bedrijf in een jaar kan worden voortgebracht.
Progressief variabele kosten: de variabele kosten stijgen meer dan evenredig (progressief) bij een toename van de productie.
Proportioneel variabele kosten: de variabele kosten stijgen evenredig (proportioneel) bij een toename van de productie.
Reservecapaciteit: deel van de productiecapaciteit dat in reserve wordt gehouden om te kunnen voldoen aan onverwachte pieken in de vraag.
Totale kosten (TK): de som van de totale constante (TCK) en de totale variabele kosten (TVK).
Totale opbrengst (TO) (= omzet): de inkomsten van een onderneming uit de verkoop van de producten. (prijs x afzet)
Totale winst (TW): de totale opbrengst minus de totale kosten.
Verkoopprijs (P): marktprijs plus eventuele heffingen, subsidies en belastingen. De verkoopprijs is dus de prijs die de consumenten voor een product moeten betalen.
Winstmarge: het verschil tussen de verkoopprijs van een product en de kostprijs van dat product.

hfdst 3

Begrippenlijst
index>4-5-6 vwo>Vraag en Aanbod>hfdst 3>Begrippenlijst
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
Inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3hfdst 4hfdst 5