Inleiding op hoofdstuk 5
Produceren is het toevoegen van waarde aan ingekochte grond- en hulpstoffen met behulp van productiefactoren zoals arbeid, kapitaal(goederen) en natuur.
Bij de productie kan de producent veelal kiezen tussen verschillende productietechnieken. In het algemeen gaat het hierbij om meer of minder inzet van kapitaal en arbeid. Gebruikt de producent relatief (dus in verhouding met arbeid) veel kapitaal dan noemen we het productieproces kapitaalintensief. Gebruikt de producent daarentegen relatief veel arbeid, dan noemen we het productieproces arbeidsintensief. Bij de keuze van de productietechniek spelen de kosten van arbeid en kapitaal een belangrijke rol. Stijgen de arbeidskosten sterker dan de kapitaalkosten, dan zal de producent veeleer kiezen voor een kapitaalintensieve productietechniek: in dit verband spreek je van diepte-investeringen. Breedte-investeringen daarentegen zijn investeringen waarbij de arbeidsproductiviteit niet verandert.
Het vergroten van de productie maakt het mogelijk het productieproces kapitaalintensiever te maken. Hierdoor kan een producent optimaal profiteren van schaalvoordelen. Een kapitaalintensieve productiemethode maakt de kans op toetreding van nieuwe concurrenten op de markt kleiner maar vergroot de afhankelijkheid van de producent voor conjunctuurinvloeden.
Hoewel nog niet genoemd, is of wordt kennis, steeds meer gezien als (dé/een) belangrijke productiefactor. Alleen door voortdurend te vernieuwen (innoveren) is het mogelijk om de concurrentie het hoofd te bieden. Innoveren kan betrekking hebben op het product (productinnovatie) en op het productieproces (procesinnovatie).
Links bij hoofdstuk 5
Loonkosten, arbeidsproductiviteit en arbeidskosten per eenheid product van 1996 tot 2006 (CBS)
Arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid