Inleiding op hoofdstuk 6
De EU is door de opeenvolgende toetredingen steeds groter geworden. Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk kwamen er in 1973 bij, Griekenland in 1981, Spanje en Portugal in 1986 en Oostenrijk, Finland en Zweden in 1995. In 2004 werd de EU uitgebreid met tien nieuwe staten: Cyprus, Tsjechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije en Slovenië. Naar verwachting zullen Bulgarije en Roemenië in 2007 toetreden en op dit moment zijn de toetredingsonderhandelingen met Turkije begonnen.
Het grote probleem bij een zo'n grote internationale instelling is de bestuurbaarheid ervan. Dit wordt een steeds groter probleem. Met een nieuwe grondwet wilde de EU de bestuurbaarheid vergroten. Zoals bekend werd de nieuwe grondwet in Nederland en Frankrijk verworpen. Een belangrijke reden voor het verwerpen van de grondwet door het Nederlandse volk was het verlies aan soevereiniteit: niet Den Haag maar Brussel krijgt steeds meer bevoegdheden en gaat bepalen hoe bijvoorbeeld het drugsbeleid er in Nederland dient uit te zien.
In dit kader worden de begrippen verbreding en verdieping gebruikt. Hoe groot mag de EU worden? Hoe ver moet de onderlinge samenwerking gaan?
Links bij dit hoofdstuk
Nationalisme in Europa 1815-1919
Nieuwe grondwet Europese Unie
Institutionele hervorming van de Europese Unie