4-5 havo
Begrippenlijst Arbeidsmarkt hoofdstuk 4

Arbeidsintensief
Productie waarbij in verhouding veel arbeid in verhouding tot kapitaal wordt ingeschakeld.
Arbeidskosten (loonkosten)
Deze worden gevormd door de som van het brutoloon en de sociale premies die voor rekening van de werkgever komen. De loonkosten kunnen worden uitgedrukt per eenheid product en per werknemer.
Arbeidsproductiviteit
Micro: De productie per persoon per tijdseenheid (b.v. uur of arbeidsjaar);
Macro: nationale productiewaarde per jaar gedeeld door (werkzame) beroepsbevolking (in personen).
Automatisering
Het gebruiken van computers voor het besturen van machines en (productie)processen.
Breedte-investering
Investeringen in dezelfde (soort) kapitaalgoederen waardoor de arbeidsproductiviteit gelijk blijft. Na zo’n investering blijft het bedrijf net zo arbeids- en kapitaalintensief als het was. Hierbij kan het gaan om een uitbreidingsinvestering als ook om een vervangingsinvestering.
Concurrentiepositie
De mate waarin een land of bedrijf in staat is beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan de concurrentie. In de regel wordt hieronder verstaan het kosten- en prijspeil van een land of een bedrijf in verhouding tot dat van andere (concurrerende) landen of bedrijven. Het kosten- en prijspeil hangt weer van talloze factoren af zoals de arbeidskosten, de infrastructuur, de collectieve lastendruk, de arbeidsrust et cetera.
Consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid (overheidsconsumptie) om in bestaande behoeften te voorzien.
Consumptie
Particuliere consumptie: de uitgaven van een consument aan goederen en diensten voor eigen gebruik.
Overheidsconsumptie: de uitgaven van de overheid aan ambtenarensalarissen en materiële uitgaven (goederen voor direct gebruik).
Diepte-investering
Het aanschaffen van modernere kapitaalgoederen waardoor er minder mensen nodig zijn om evenveel of zelfs meer goederen te maken: de arbeidsproductiviteit neemt toe en het bedrijf wordt kapitaalintensiever. Hierbij kan het gaan om een uitbreidingsinvestering of om een vervangingsinvestering. 
Investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven (particuliere investeringen) en overheid (overheidsinvesteringen).
Kapitaal
De productiefactor kapitaal omvat de fabrieken, machines, gereedschappen, grondstoffen en voorraden eindproduct die bij de productie worden ingezet. Men onderscheidt reëel kapitaal (= kapitaalgoederen) en geldkapitaal (= vermogen).
Kapitaalgoederen
De productiefactor kapitaal omvat de fabrieken, machines, gereedschappen, grondstoffen en voorraden eindproduct die bij de productie worden ingezet. Synoniem: kapitaal.
Kapitaalintensief
Productie waarbij in verhouding veel kapitaal en weinig arbeid wordt ingeschakeld. Productie wordt kapitaalintensiever als de kapitaalarbeidsverhouding (kapitaalintensiteit) toeneemt.
Loonkosten (arbeidskosten)
Deze worden gevormd door de som van het brutoloon en de sociale premies die voor rekening van de werkgever komen. De loonkosten kunnen worden uitgedrukt per eenheid product en per werknemer.
Mechanisering
Het bij de productie inschakelen van machines die de capaciteit van het menselijk handelen vergroten.
Multinational
Onderneming met productievestigingen in diverse landen. Het begrip multinational wordt meestal alleen gebruikt als het gaat om grote bedrijven die wereldwijd actief zijn zoals Shell.
Productiecapaciteit
De maximale omvang van de productie die een bedrijf of land in een bepaalde periode met de volledige benutting van beschikbare productiemiddelen kan voortbrengen.
Schaalvoordelen
Voordelen van het grootbedrijf of van productie op grote schaal waarbij gedacht kan worden aan betere onderlinge afstemming van de bedrijfsonderdelen, sterkere positie op in- en verkoopmarkt et cetera.

hfdst 4

Begrippenlijst
Opgaven
index>4-5 havo>Arbeidsmarkt>hfdst 4>Begrippenlijst
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3hfdst 4hfdst 5