4-5 havo
Begrippenlijst Arbeidsmarkt hoofdstuk 3

Afzet
De hoeveelheid verkochte producten uitgedrukt in eenheden, kg, liter, etc.
Arbeidskosten (loonkosten)
Deze worden gevormd door de som van het brutoloon en de sociale premies die voor rekening van de werkgever komen. De loonkosten kunnen worden uitgedrukt per eenheid product en per werknemer.
Arbeidsproductiviteit
Micro: De productie per persoon per tijdseenheid (b.v. uur of arbeidsjaar);
Macro: nationale productiewaarde per jaar gedeeld door (werkzame) beroepsbevolking (in personen).
Arbeidstijd
Het aantal beroepsmatige werkuren per dag/per week/per jaar et cetera. Daarbij worden onderscheiden:
- voltijd (fulltime): men werkt de volle normale arbeidstijd (b.v. 38 of 36 uur)
- deeltijd (parttime): men werkt een deel van de volle normale arbeidstijd
- flexibele arbeidstijd: men werkt als er werk is waarbij het aantal uren per periode kan wisselen  Soms wordt in plaats van over arbeidstijd gesproken over arbeidsduur.
Arbeidstijdverkorting (atv)
Het korter werken dan de normale 8 uur per dag en 5 dagen in de week. 
Automatisering
Het gebruiken van computers voor het besturen van machines en (productie)processen. Brutoloon
Het loon voor aftrek van belastingen en sociale premies.
Concurrentiepositie
De mate waarin een land of bedrijf in staat is beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan de concurrentie. In de regel wordt hieronder verstaan het kosten- en prijspeil van een land of een bedrijf in verhouding tot dat van andere (concurrerende) landen of bedrijven. Het kosten- en prijspeil hangt weer van talloze factoren af zoals de arbeidskosten, de infrastructuur, de collectieve lastendruk, de arbeidsrust et cetera.
Inflatie
Een stijging van het gemiddeld algemeen prijspeil. We onderscheiden: bestedingsinflatie, kosteninflatie, winst(marge)inflatie.
Initiële loonstijging 
Algemene stijging van de reële lonen (= koopkracht) voortvloeiende uit een stijging van de arbeidsproductiviteit.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen (of een euro) kunt kopen.
Loonkosten (arbeidskosten)
Deze worden gevormd door de som van het brutoloon en de sociale premies die voor rekening van de werkgever komen. De loonkosten kunnen worden uitgedrukt per eenheid product en per werknemer.
Mechanisering
Het bij de productie inschakelen van machines die de capaciteit van het menselijk handelen vergroten.
Nettoloon
Het brutoloon na aftrek van belastingen en sociale premies: het besteedbaar loon.
Omzet
De waarde van de verkochte producten. Is te berekenen door: verkochte hoeveelheid x verkoopprijs. Synoniem: totale opbrengst.
Prijscompensatie
Stijging van het loon gelijk aan de inflatie zodat de koopkracht van het loon gelijk blijft.
Resultatenrekening
Overzicht van opbrengsten en kosten waaruit blijkt hoe groot de winst of het verlies van de afgelopen periode is.
Substitutie
Omzetting van de ene soort in de andere, bijvoorbeeld arbeid door kapitaal.
Winst
Het verschil tussen de opbrengesten (omzet) en de kosten.

 

 

hfdst 3

Begrippenlijst
Opgaven
index>4-5 havo>Arbeidsmarkt>hfdst 3>Begrippenlijst
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3hfdst 4hfdst 5