Talrijke bloedige oorlogen waren nodig voordat de leiders van Europese grootmachten het initiatief namen de onderlinge conflicten voorgoed uit de wereld te helpen. Na de Tweede Wereldoorlog werd besloten de belangrijkste industrieën van de Europese landen aan elkaar vast te klinken. De achterliggende gedachte was, dat het uitbannen van de economische concurrentie ook zou leiden tot het afnemen van politieke en militaire conflicten. De oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) door Frankrijk, Duitsland, Italië en de landen van de Benelux, was de eerste concrete uitwerking van het idee.Voor kolen en staal werd voortaan een gezamenlijk beleid gevoerd. Spoedig volgde een gezamenlijk landbouwbeleid. De samenwerking bleek een succes, het werkterrein werd gestaag uitgebreid en steeds meer landen deden mee. De EGKS werd uitgebreid naar Europese Economische Gemeenschap (EEG) en later naar de Europese Unie (EU). Al in de jaren zeventig was er ook sprake van monetaire samenwerking. Deze samenwerking mondde rond de eeuwwisseling uit in de oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU). De landen die lid werden van de EMU moesten hun nationale munteenheid en daarmee hun monetaire beleid prijsgeven. Het afstaan van deze soevereiniteit ging voor sommige landen te ver (bijvoorbeeld Engeland). Het afstaan van soevereiniteit blijkt een probleem dat voortdurend speelt bij integratieprocessen.
De lesbrief gaat in op de totstandkoming, de werkwijze en veel andere aspecten van de EU. Verder is er uitgebreide aandacht is voor het geldstelsel en de financiële markten, toegespitst op de EMU.