4-5-6 vwo
Begrippenlijst De Overheid hoofdstuk 2

Accijns
Een prijsverhogende heffing die de overheid legt op bepaalde goederen, bijvoorbeeld benzine, tabak en alcohol. De ondernemers moeten de accijns innen en aan de overheid afdragen.
Aftrekpost (bij inkomstenbelasting)
Een bedrag dat bij de berekening van het belastbaar inkomen in mindering mag worden gebracht op het bruto inkomen. Het gaat daarbij om beroepskosten (kosten om inkomen te verwerven zoals reiskosten), persoonlijke verplichtingen (o.a. rente), buitengewone lasten (o.a. ziektekosten) en giften (o.a. kerk)
Afwentelen (van lasten)
Het gedrag waarbij mensen erin slagen -door aanpassing van hun inkomen en prijzen- lasten zoals belastingen en sociale premies over te dragen op andere deelnemers aan het economisch verkeer.
Afwenteling
Hiermee wordt bedoeld dat iemand of een onderneming in staat is om kosten of kostenstijgingen door anderen te laten betalen. Bijvoorbeeld: als de invoerprijzen stijgen, kunnen de importeurs (die duurder moeten inkopen) hun verkoopprijzen verhogen zodat de hogere invoerprijzen eigenlijk door die klanten moeten worden opgebracht
Algemene rekenkamer
Een instelling die toezicht houdt op de Staat en op instellingen die wettelijke taken uitvoeren (zoals de garages die de verplichte APK-keuring uitvoeren) en/of nauwe financiële banden met de Staat hebben (zoals onderwijsinstellingen). Het toezicht heeft betrekking op de vraag of de instellingen wel verantwoord met hun geld omgaan.
Belastbaar inkomen (bij inkomstenbelasting)
Het bruto inkomen verminderd met alle aftrekposten.
Belasting
Een gedwongen betaling aan de overheid waarvoor de overheid geen individueel aanwijsbare tegenprestatie levert.
Belasting- en premiedruk
De collectieve lasten uitgedrukt in een percentage van het nationale inkomen.
Belastingfraude
Het in strijd met de wet ontgaan van het betalen van belastingen bijvoorbeeld door zwart te werken, inkomsten niet (volledig) op te geven et cetera.
Belastingontduiking
Het in strijd met de wet ontgaan van het betalen van belastingen bijvoorbeeld door zwart te werken, inkomsten niet (volledig) op te geven et cetera.
Belastingontwijking
Het niet in strijd met de wet ontgaan van het betalen van belastingen bijvoorbeeld door minder te werken, bepaalde goederen niet meer te kopen, te gaan wonen in het buitenland et cetera.
Belastingtarief
Het percentage dat over de belastinggrondslag moeten worden gehanteerd om het belastingbedrag te bepalen. Het belastingtarief kan soms bestaan uit een samenstel van percentages zoals bij de omzet- en de inkomstenbelasting.
Collectieve lasten
Deze omvatten de belastingen, de premies voor de sociale verzekeringen en enkele niet-belastingmiddelen zoals de omroepbijdrage, schoolgeld en milieuheffingen.
Collectieve lastendruk
De collectieve lasten uitgedrukt in een percentage van het nationale inkomen.
Collectieve uitgaven
De uitgaven van de collectieve sector. In grote trekken bestaan ze uit collectieve bestedingen (salarissen ambtenaren, aanschaf goederen en gebouwen, investeringen et cetera) en uit de zogeheten overdrachtsuitgaven (sociale uitkeringen, subsidies et cetera).
Degressieve belasting
De totaal verschuldigde belasting neemt af als percentage van het inkomen naarmate het inkomen hoger is: de gemiddelde belastingdruk daalt. Het begrip degressief wordt hier algemener gebruikt dan in de wiskundige betekenis.
Directe belasting
Belasting die rechtstreeks aan de belastingbetaler (personen of bedrijven) wordt opgelegd. Voorbeelden: inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, vermogensbelasting. Daarom ook ‘belasting op inkomen, winst en vermogen’ genoemd.
Draagkracht (bij belastingen)
Bij belastingheffing naar draagkracht tracht men de hoogste inkomenstrekkers relatief zwaarder te belasten dan de lagere.
Fiscaal
Hiermee wordt verwezen naar de belasting(dienst). Een fiscale meevaller betekent bijvoorbeeld dat er minder belasting hoeft te worden betaald dan werd verwacht. Een 'fiscale maatregel' wil zeggen dat er iets met de belasting of de belastingtarieven gebeurt.
Fraude
Een wat nettere uitdrukking voor misbruik. Het gaat om het (legaal, dus niet in strijd met de wet) gebruik maken van regelingen en voorzieningen voor een doel of op een manier die eigenlijk niet bedoeld was.
Gemiddeld belastingdruk
Het totale bedrag aan verschuldigde belasting als percentage van het totale inkomen.
Indirecte belasting
Belasting op bestedingen die via afwenteling drukt op een ander dan die de aanslag krijgt. Voorbeelden: omzetbelasting (BTW), accijnzen, invoerrechten. Ook wel aangeduid met kostprijsverhogende belastingen.
Inkomensdenivellering
Het vergroten van de relatieve inkomensverschillen: het gaat dus om de verhoudingen en niet om de absolute cijfers.
Koppeling
De ontwikkeling van een grootheid wordt afhankelijk gesteld van de ontwikkeling van een andere grootheid, bijvoorbeeld de stijging van de sociale uitkeringen wordt afgestemd op de loonstijging in het bedrijfsleven.
Marginale belastingdruk
De verschuldigde bedrag aan belasting dat betrekking heeft op de top van het inkomen als percentage van de top van het inkomen.
Marginaal belastingtarief
Belastingpercentage van de hoogste schijf die op een belastbare som van toepassing is.
Miljoenennota
Regeringsnota die jaarlijks op Prinsjesdag verschijnt. Deze bevat een beschrijving van de sociaal-economische situatie, een samenvatting van de rijksbegroting en een toelichting op het begrotingsbeleid.
Motorrijtuigenbelasting
Deze belasting moet worden betaald om met een motorvoertuig (auto, motor) van de weg gebruik te mogen maken.
Niet-belastingmiddelen
Verzamelnaam voor diverse inkomsten van de collectieve sector: van retributies (kosten van een paspoort en de omroepbijdrage bijvoorbeeld), sommige opbrengsten uit aardgas tot en met gerechtelijke boetes.
Nivelleren
Verschillen kleiner maken. Meestal wordt dat in verhouding gezien.
Omslagstelsel
Financieringsstelsel van sociale zekerheid waarbij de in een bepaald jaar op te brengen premies zijn afgestemd op het totaal van de in dat jaar te betalen uitkeringen. Er wordt voor die uitkeringen dus niet door de uitkeringsgerechtigden gespaard zoals bij het kapitaaldekkingsstelsel het geval is.
Ontduiken (van belastingen en premies)
Het op illegale wijze beperken van het betalen van belastingen en sociale premies bijvoorbeeld door zwart te werken.
Ontwijken (van belastingen en premies)
Het op legale wijze beperken van het betalen van belastingen en sociale premies bijvoorbeeld door een aanpassing van het bestedingsgedrag.
Overdrachtsinkomen
Inkomen dat niet rechtstreeks in de productie wordt verdiend zoals een sociale uitkering. Overdrachtsuitgaven
Overdracht van middelen zonder dat daar een tegenprestatie van de ontvangers tegenover staat. Het kan gaan om overdrachten van de collectieve sector aan andere sectoren in de samenleving (gezinnen en bedrijven), maar ook om overdrachten van een land aan andere landen (bijvoorbeeld ontwikkelingshulp).
Overheidsbestedingen
De overheidsconsumptie plus de overheidsinvesteringen.
Overheidsconsumptie
Aanschaffingen door de overheid van goederen en diensten die binnen (zeer) korte tijd worden verbruikt.
Overheidsinvesteringen
Aanschaf van kapitaalgoederen in de infrastructurele sfeer zoals wegen, gebouwen en rioleringen door de overheid.
Overheidssaldo
Het verschil tussen de inkomsten van de overheid en de uitgaven van de overheid: het begrotingstekort.
Overheidsschuld
Staatsschuld plus de schuld van de lagere overheden.
Overheidsuitgaven
Bestaan uit overheidsbestedingen (consumptie en investeringen) en overdrachtsuitgaven (exclusief de overdrachtsuitgaven van de sociale zekerheidsinstellingen).
Premiedruk
- Gemiddelde premiedruk:
Het totale bedrag aan verschuldigde premie als percentage van het totale inkomen.
- Marginale premiedruk:
De verschuldigde bedrag aan premie dat betrekking heeft op de top van het inkomen als percentage van de top van het inkomen.
Profijtbeginsel
De gebruiker van een bepaalde overheidsdienst betaalt daarvoor een directe bijdrage.
Progressieve belasting
De totaal verschuldigde belasting neemt toe als percentage van het inkomen naarmate het inkomen hoger is: de gemiddelde belastingdruk stijgt. Het begrip progressief wordt hier algemener gebruikt dan in de wiskundige betekenis.
Proportionele belasting
De totaal verschuldigde belasting blijft gelijk als percentage van het inkomen naarmate het inkomen hoger is: de gemiddelde belastingdruk blijft gelijk.
Publiekrechtelijk lichaam
Instantie die regelingen en voorschriften kan maken die de burgers verplicht zijn na te leven: overheidsinstellingen, waterschappen et cetera.
Rijk
Bestaat uit de rijksoverheid (de staat: regering en parlement) en de lagere overheden (provincies, de gemeenten en instellingen zoals waterschappen).
Rijksbegroting
Een jaarlijks door de regering opgestelde overzicht van geplande uitgaven voor het komende jaar en de manier waarop deze gefinancierd worden.
Rijksoverheid
De staat: regering en parlement.
Schijf (bij de inkomstenbelasting)
Een gedeelte van de belastbare som bij de inkomstenbelasting waarbij een bepaald belastingpercentage hoort.
Schijventarief
De in Nederland gehanteerde methode voor de vaststelling van de hoogte van de te betalen inkomstenbelasting. De belastbare som wordt daartoe verdeeld in een aantal schijven waarover volgens een oplopend percentage inkomstenbelasting wordt berekend. Over de eerste schijf worden ook de sociale premies voor de volksverzekeringen geheven.
Sociale premies
De door de werkgevers (werkgeverspremies) of werknemers (werknemerspremies) betaalde bedragen aan de instellingen die de sociale verzekeringswetten uitvoeren.
Sociale verzekeringen
Het deel van de sociale zekerheid met een verzekeringskarakter omdat het uit premies wordt gefinancierd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen werknemersverzekeringen en volksverzekeringen.
Sociale voorzieningen
Het deel van de sociale zekerheid dat niet uit premieheffing maar uit de algemene middelen (belastingen) en dus via de Rijksbegroting wordt gefinancierd. De uitvoering verloopt doorgaans via de gemeente. Sociale voorzieningen vullen het inkomen (uit arbeid of een uitkering) aan tot het sociale minimum. De belangrijkste sociale voorziening is de Bijstand (Algemene Bijstandswet).
Sociale zekerheid
Het stelsel dat in Nederland iedereen een financieel bestaansminimum garandeert. Onderscheiden worden:
- sociale verzekeringen: betaald uit premies
- sociale voorzieningen: betaald uit belastingen
De sociale verzekeringen worden onderscheiden in:
- werknemersverzekeringen: gelden alleen voor mensen in loondienst
- volksverzekeringen: gelden voor alle ingezetenen
Sociale zekerheidssector
De instellingen die de sociale wetgeving uitvoeren. Voor de werkloosheidswet (WW) en de arbeidsongeschiktheidswetten (WAO en AAW) zijn dat de sectorraden, de uitvoeringsinstellingen van de sociale zekerheidswetten (GAK, CADANS, GUO, SFB, USZO), het LISV (landelijk instituut sociale verkeringen) en het CTSV (college van toezicht sociale verzekeringen). Voor de ouderdomswet (AOW), de kinderbijslagwet (AKW) en de nabestaandenwet (ANW) is dat SVB (sociale verzekeringsbank).
Tariefgroep (bij de inkomstenbelasting)
De tariefgroep bepaalt de omvang van het belastingvrije bedrag van de belastingbetaler. De tariefgroep wordt bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige zoals leeftijd en burgerlijke staat (getrouwd of niet getrouwd bijvoorbeeld).
Vermogensbelasting
Belasting die wordt geheven over het vermogen (de waarde van het bezit minus de schulden) van mensen.
Volksverzekering
Een sociale verzekering die geldt voor alle ingezetenen: AAW, AWBZ, AOW, ANW, AKW.
Werknemerspremie
Door de werknemer te betalen premie voor de sociale verzekeringen.
Werknemersverzekering
Een sociale verzekeringen die alleen geldt voor mensen in loondienst: WW, ZW, WAO, ZFW.
Wig
Het verschil tussen de loonkosten van de werkgever (brutoloon plus sociale werkgeverspremies) en het nettoloon dat de werknemer ontvangt. De wig bestaat derhalve uit de loonbelasting, de sociale premies betaald door de werknemer zelf en de sociale premies betaald door de werkgever.

hfdst 2

Begrippenlijst
index>4-5-6 vwo>De Overheid>hfdst 2>Begrippenlijst
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
Inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3hfdst 4Errata