4-5-6 vwo
Hoofdstuk 4 De collectieve sector

Inleiding op het hoofdstuk
Waaruit bestaat de collectieve sector? 
Wat is het verschil tussen een collectief goed en een quasi-collectief goed? Hoe is het stelsel van de sociale zekerheid in Nederland opgebouwd? Waaruit bestaan de overheidsinkomsten? Waarom staan de AOW en de WAO zo hoog op de politieke agenda? Waarom worden de belastingen hervormd? 
De overheid en de sociale zekerheid vormen samen de collectieve sector. De overheid lijkt de meest aangewezen instantie te zijn als het gaat om het creëren en instandhouden van de collectieve voorzieningen. 
Tot de collectieve voorzieningen worden zowel zuiver collectieve goederen als bestuur, defensie, rechtspraak, politie, etc. als quasi-collectieve goederen als onderwijs, gezondheidszorg, etc. gerekend. Vanaf het midden van de zeventiger jaren zien we dat de overheid steeds meer quasi-collectieve goederen (diensten) afstoot. We spreken van privatiseren. Dit wil zeggen dat niet de overheid maar de particuliere sector het aanbod van deze goederen voor haar rekening neemt. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat dit door het bedrijfsleven veel beter en efficiënter kan. 
Ook op het terrein van de sociale zekerheid is dit merkbaar. 
De sociale zekerheid wordt onderverdeeld in de sociale voorzieningen en de sociale verzekeringen. 
De sociale voorzieningen zoals bijvoorbeeld de bijstand worden gefinancierd uit de algemene middelen (belastingen). De sociale verzekeringen bestaande uit volksverzekeringen en werknemersverzekeringen worden gefinancierd uit premies (heffingen op het inkomen). 
De volksverzekeringen (AOW, AKW, AWBZ, ANW) zijn voor alle ingezetenen van Nederland.  De werknemersverzekeringen (WW, WULBZ, ZFW, WAO) zijn voor alle mensen in loondienst.  Om de uitgaven van de collectieve sector te kunnen betalen worden belastingen en premies geheven. De belastingen zijn gedwongen betalingen aan de overheid, zonder dat daar een directe prestatie tegenover staat: ze zijn bedoeld ter financiering van de collectieve voorzieningen. Hiernaast gebruikt de overheid de heffing om de inkomensverschillen te verkleinen. De belastingen worden onderverdeeld in directe en indirecte belastingen. Tot de directe belastingen horen de loon- en inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting. Tot de indirecte belastingen worden de BTW, de accijnzen en de milieuheffingen gerekend. Hiernaast heeft de overheid ook nog andere inkomsten (niet-belastingmiddelen) zoals  aardgasopbrengsten, motorrijtuigenbelasting, havengelden, parkeergelden, etc.. Drukken we de collectieve uitgaven uit in een percentage van het nationaal inkomen dan noemen we dit de collectieve lastendruk. Het verlagen van de collectieve lastendruk is sinds jaren één van de belangrijkste doelstellingen van het regeringsbeleid. Of de collectieve lastendruk ook echt veel te hoog is - zeker ook in vergelijkingen met andere EU-landen, valt nog te betwijfelen. Lees hiervoor het artikel over de belastingdruk (zie links). 
Links bij hoofdstuk 4
Sociale Zekerheid: uitgebreide en heel leesbare informatie over de sociale verzekeringen WW, AKW, ABW, Wajong, WAZ, AOW, ZW, AWBZ, ZFW en WAO.
Algemene nabestaanden wet : Uitgebreide informatie van Postbus 51 over de algemene nabestaanden wet. 
SVB: De Sociale Verzekeringsbank, uitvoerder van de AKW, AOW en ANW. 
Tj-biljet: Via deze site kun je het Tj-biljet downloaden. 
De belastingdruk in Nederland t.o.v. de andere EU-landen.
Pensioen en AOW: Veel gestelde vragen rond pensioen en AOW bij de FNV.  
 

Begrippenlijst
Opgaven
index>4-5-6 vwo>Welvaart>hfdst 4
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
Inleidinghfdst 1hfdst 2hfdst 3hfdst 4hfdst 5