arbeidsmarktbeleid
Het geheel van maatregelen (beleid) van de overheid gericht op het bereiken van een evenwichtige ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
arbeidsmobiliteit
De mate waarin mensen bereid zijn te veranderen van werkgever, beroep of regio.
arbeidsverleden
Het aantal jaren dat je hebt gewerkt.
bezettingsgraad
De mate waarin de productiecapaciteit van een land of van een onderneming wordt benut. Of: De verhouding tussen de werkelijke productie en de productiecapaciteit uitgedrukt in procenten.
conjuncturele werkloosheid
(= conjunctuurwerkloosheid) Werkloosheid die een gevolg is van het tekort schieten van de bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit, waardoor de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod van arbeid.
creatie van werkgelegenheid
(= baancreatie) Het ontstaan van nieuwe banen bij bedrijven die groeien of bij nieuwe bedrijven.
destructie van werkgelegenheid
Het verloren gaan van banen bij bedrijven die krimpen of failliet gaan.
evenwichtsloon
Het loon waarbij vraag en aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar gelijk zijn.
frictiewerkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van het feit dat er tussen het ontstaan van een vacature en het vervullen ervan tijd verloren gaat omdat een werkzoekende tijd nodig heeft om de baan te vinden en een werkgever tijd nodig heeft om een persoon te vinden. Dit komt onder andere voor bij schoolverlaters.
hoogconjunctuur
Periode waarin de groei van het nationaal inkomen hoger is dan de trendmatige groei.
krappe arbeidsmarkt
Een situatie op de arbeidsmarkt waarbij de vraag naar arbeid (door werkgevers) groter is dan het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking). Vacatures kunnen niet of slechts moeizaam vervuld worden.
laagconjunctuur
De bestedingen zijn lager dan de trend.
loonflexibiliteit
Lonen passen zich snel aan de veranderingen op de arbeidsmarkt aan.
loonstarheid
De lonen passen zich niet snel aan veranderingen op de arbeidsmarkt aan.
minimumloon
Het loon dat iemand van 23 jaar wettelijk moet krijgen.
natuurlijke werkloosheid
Werkloosheid die niet het gevolg is van veranderingen in de economie. Frictiewerkloosheid en structurele werkloosheid zijn voorbeelden van natuurlijke werkloosheid.
onvrijwillige werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat doordat lonen zich op korte termijn niet aanpassen aan de marktsituatie. Hierdoor is het aanbod van arbeid groter dan de vraag naar arbeid.
productiecapaciteit
De hoeveelheid goederen die een land of een bedrijf maximaal kan produceren in een periode (meestal een jaar).
recessie
Het krimpen van de economie.
ruime arbeidsmarkt
Een situatie op de arbeidsmarkt waarbij het aanbod van arbeid groter is dan de vraag naar arbeid. De werkgevers kunnen ruim kiezen uit de werklozen.
stabilisator
Het stabiel maken, zorgen dat het zo min mogelijk verandert. Bij een laagconjunctuur zorgen uitkeringen ervoor dat de vraaguitval beperkt blijft. De uitkeringen werken zo als stabilisator van de economie.
structurele werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat door blijvende veranderingen in de economie zoals het vervangen van arbeid door machines, verplaatsing van productie naar lagelonenlanden, verslechtering van de internationale concurrentiepositie en door te hoge lonen.
UWV WERKbedrijf
Instantie waar werklozen zich moeten laten inschrijven als ze in aanmerking willen komen voor een uitkering. Het WERKbedrijf biedt werkgevers informatie en voorzieningen bij het vinden van gekwalificeerd personeel en probeert werkzoekenden aan werk te helpen.
vraaguitval
Het teruglopen van de bestedingen.
welvaartsverlies
De prijs die betaald moet worden om laagbetaalde werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt een redelijk inkomen te geven.
welvaartswinst
Werkgeverssurplus + werknemerssurplus.
werkloosheid
Je bent werkloos als je in de leeftijd zit van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur per week werkt, actief op zoek bent naar betaald werk voor 12 uur of meer en daarvoor direct beschikbaar bent.
werkloosheidspercentage
Werkloosheid uitgedrukt in een percentage van de beroepsbevolking.