Havo 2010
Hoofdstuk 5 Werken in eigen bedrijf

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 Eigen baas
5.2 Toegevoegde waarde van een bedrijf
5.3 Transfer
5.4 Zelftest

Eigen baas
Eigen baas zijn betekent een overzichtelijke administratie voeren zoals het opstellen van een balans en het opstellen van een resultatenrekening.

De balans
De balans geeft een overzicht van de bezittingen en het vermogen op één bepaald moment. Op de balans staan voorraadgrootheden. Aan de bezittingenkant (actiefzijde of debet) kun je onderscheid maken tussen vaste, vlottende en liquide activa. Aan de vermogenskant (passiefzijde of credit) kan er onderscheid gemaakt worden tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden). De creditkant van de balans laat zien over hoeveel vermogen (geld) de zaak kan beschikken. Op de debetkant van de balans kun je zien wat er met dat vermogen is gedaan.
Zie hieronder een voorbeeld van een balans op 1 januari 2010.

debet

Balans 1 januari 2010 

credit

vaste activa

 

eigen vermogen

281.200

gebouwen

300.000

 

 

machines

260.000

lang vreemd vermogen

 

inventaris

120.000

7% hypothecaire lening

240.000

 

bedrijfskrediet

40.000

vlottende activa

onderhandse lening

160.000

debiteuren

30.000

 

voorraden

60.000

kort vreemd vermogen

 

vooruitbetaalde huur

6.000

crediteuren

66.000

 

Nog te betalen interest

4.800

liquide activa

te betalen garagerekening

4.000

bank

12.000

 

 

kas

8.000

 

 

 

 

 

totaal

796.000

totaal

796.000

 

De resultatenrekening
De resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten (omzet) en de kosten in een bepaalde periode (vaak één jaar). Opbrengsten en kosten zijn periodegrootheden.
De omzet min alle kosten geeft de winst in een bepaalde periode.

Kosten

Resultatenrekening 2010

Opbrengsten

inkoopwaarde omzet

560.000

Omzet

910.000

rentekosten

32.000

 

 

huurkosten

32.000

 

 

loonkosten

150.000

 

 

energiekosten

21.000

 

 

winstsaldo

105.000

 

 

Totaal

910.000

Totaal

910.000

 

De toegevoegde waarde of productiewaarde is gelijk aan de omzet min de inkopen (van grondstoffen, hulpstoffen, producten) en min diensten van derden.
In bovenstaand voorbeeld is dat € 910.000 - € 560.000 - € 21.000 = € 329.000.

Leerdoelen hoofdstuk 5
Leerlingen kunnen:
• de productiefactoren noemen en hun beloningen onderscheiden.
• verschillende soorten activa en passiva onderscheiden en er berekeningen mee maken.
• een balans samenstellen en interpreteren.
• verschillende soorten kosten en opbrengsten onderscheiden en er berekeningen mee maken.
• onderscheid maken tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden.
• een resultatenrekening samenstellen en interpreteren.
• uitleggen dat produceren het toevoegen van waarde is aan de inkoopwaarde van de grondstoffen.
• uitleggen dat de verdiende inkomens de beloningen van de productiefactoren zijn, die betaald worden uit de productiewaarde.

Begrippen
Opdrachten
index>Havo 2010>Jong & Oud (2° druk)>hfdst 5
<Colofon> <Mail ons> <Disclaimer> <Zoeken> <Sitemap>
hfdst 1+2hfdst 3hfdst 4hfdst 5hfdst 6hfdst 7hfdst 8hfdst 9