Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 De AOW
5.2 Aanvullend bedrijfspensioen
5.3 Vrij sparen voor de oude dag
5.4 Ouderenzorg
5.5 Transfer
5.6 Zelftest
De AOW
Iedereen krijgt in Nederland vanaf zijn 65ste een AOW-uitkering. De rechten voor de AOW-uitkering worden opgebouwd vanaf 15 tot 65 jaar: twee procent per jaar dat iemand in Nederland woont. De AOW-uitkering is vastgesteld op 70% van het minimumloon, het zogenaamde sociaal minimum. Voor gehuwden en samenwonenden is de AOW-uitkering 100% van het minimum loon. De AOW is gebaseerd op het omslagstelsel. De premies die nodig zijn om de uitkeringen in een bepaald jaar te betalen worden omgeslagen over de personen die in dat jaar een inkomen verdienen. De AOW-premie is vastgesteld op 17,9% en kent een absoluut maximum. In 2010 is de maximale premie € 5.860,10. Boven een bepaald inkomen stijgt de premie dus niet verder. Dit inkomen noemen we de premie-inkomensgrens. Wanneer de opbrengst aan premies onvoldoende is om alle uitkeringen te betalen, wordt het tekort aangevuld uit de algemene middelen, dus uit de belastingen.
Waardevast of welvaartsvast
Een uitkering is waardevast als de koopkracht van de uitkering gelijk blijft. Dit wordt bereikt door de uitkering even hard te laten stijgen als het gemiddelde prijsniveau, de inflatie.
Een uitkering is welvaartsvast als de uitkering stijgt met de gemiddelde jaarlijkse loonstijging bij de bedrijven.
Aanvullend bedrijfspensioen
Bedrijfspensioenen zijn veelal geregeld per bedrijfstak. De pensioenuitkering is geen vervanging van, maar een aanvulling op de AOW-uitkering. De betaalde pensioenpremie is aftrekbaar voor de belastingen, maar over de pensioenuitkering wordt wel belasting betaald. Pensioen is uitgesteld loon: er is sprake van ruilen over de tijd. Je werkgever en jijzelf betalen tijdens je werkzame leven pensioenpremie en daarvoor in ruil ontvang je na je pensionering een pensioenuitkering. Je spaart nu en consumeert later. De pensioenfondsen beheren de betaalde pensioenpremies en betalen de uitkeringen. De ontvangen premiegelden worden belegd in onder andere aandelen, obligaties en onroerend goed. Het is de taak van pensioenfondsen om ervoor te zorgen dat de premieopbrengsten plus de opbrengsten van de beleggingen voldoende zijn om de pensioenuitkeringen te kunnen betalen.
Leerdoelen hoofdstuk 5
• Uitleggen hoe het sociaal minimum wordt bepaald.
• Berekeningen uitvoeren met de hoogte van de AOW-uitkering.
• Het verschil uitleggen tussen een kapitaaldekkingsstelsel en een omslagstelsel en er berekeningen mee uitvoeren.
• Dilemma's beschrijven bij de keuze tussen pensioenvoorzieningen op basis van het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel.
• Het verschil uitleggen tussen de begrippen waardevast en welvaartsvast en er berekeningen mee uitvoeren.
• Kunnen uitleggen dat er bij het opbouwen van een bedrijfspensioen sprake is van ruilen over de tijd.
• Beschrijven wanneer er een beroep gedaan kan worden op de AWBZ en welke keuze iemand dan heeft.
Kernbegrippen hoofdstuk 5
kapitaaldekkingsstelsel - omslagstelsel - premie-inkomensgrens - waardevast - welvaartsvast - gedwongen besparing - ruilen over de tijd